De bodem speelt een belangrijke rol in de regulatie van het klimaat. Door de toename van de concentratie broeikasgassen zoals koolstofdioxide (CO2) in de atmosfeer verandert het klimaat. Deze broeikasgassen werken als een deken: ze zorgen ervoor dat de aarde minder warmte kwijt kan. Dit zorgt er bijvoorbeeld voor dat de zeespiegel stijgt en overstromingen en hevige regenbuien, maar ook perioden van droogte, toenemen.

Klimaatverandering heeft grote invloed op de landbouw en natuur doordat droogte en extreme neerslag toenemen. Een goede bodemstructuur helpt de schade te beperken. Bij extreme neerslag zorgt een goede structuur voor afvoer van water naar diepere lagen, het grondwater en het oppervlaktewater. In droge tijden kan vanuit de bodemvoorraad water aangeleverd worden.

In de bodem zitten grote hoeveelheden koolstof opgeslagen: een zandgrond met een organischestofpercentage van 2,5% bevat zo’n 50 ton koolstof per hectare. Als die koolstof zoveel mogelijk opgeslagen blijft, en niet wordt afgebroken, wordt uitstoot van CO­2 voorkomen. Bovendien kan méér koolstof in de bodem worden opgeslagen door de toevoeging van organisch materiaal. Zo kan de bodem fungeren als koolstofput. Dat is gunstig voor het klimaat: meer koolstof als organische stof in de bodem betekent minder koolstof als CO2 in de lucht. Koolstofdioxide is niet het enige broeikasgas: ook de uitstoot van lachgas (N2O) en methaan (CH4) zorgt voor klimaatverandering.