Ondergrondse biodiversiteit bestaat onder andere uit microflora (zoals bacteriën en schimmels) en fauna (zoals aaltjes, mijten en wormen). De organismen in het bodemvoedselweb zorgen voor levering van nutriënten, afbraak van organisch materiaal, en draagt bij aan een goede bodemstructuur. Bodembiodiversiteit levert dus belangrijke ecosysteemdiensten.

Het bodemleven is afhankelijk van bodemgebruik en grondsoort. Zo bevat de bodem in blijvend grasland veel verschillende wormen, terwijl in jarenlange maisteelt vaak weinig wormen meer aanwezig zijn. In kalkrijke jonge kleigrond zitten veel bacteriën die organisch materiaal makkelijk en snel kunnen afbreken en in zure boszandgronden zetten schimmels organisch materiaal om in humus.

Op sommige plekken in de bodem bevindt zich een hoge concentratie organismen: biologische hot spots. Bij wortels zijn veel organismen actief vanwege de uitgescheiden wortelsappen en het afsterven van worteldelen. Ook voedsel- en zuurstofrijke wormengangen zijn plekken met een hoge concentratie van bodemleven, net als de zode van gras en plekken waar groenbemesters zijn ondergewerkt of is bemest.

Bodemvoedselweb

Bodemorganismen maken deel uit van een voedselketen: het bodemvoedselweb. Schimmels en bacteriën staan onderaan deze keten en eten dood en/of levend plantenmateriaal. Bodemorganismen zoals protozoën, springstaarten, mijten , aaltjes en voeden zich met schimmels en/of bacteriën. Potwormen en regenwormen eten daarnaast ook dode plantenresten. Aan de top van het bodemvoedselweb staan predatoren zoals springstaarten, mijten en aaltjes die andere soorten springstaarten, mijten en aaltjes eten. Verschillende groepen organismen hebben verschillende functies in de bodem.

bodemvoedselweb agroxpertus

Bron: www.blgg.agroxpertus.nl

Regenwormen

Regenwormen hebben een positief effect op gewasopbrengst: ze vergroten die gemiddeld met 25%, en met name bij beperkte stikstofbemesting. Regenwormen stimuleren gewasgroei en bacteriën en schimmels doordat ze organisch materiaal afbreken.

Regenwormen worden onderverdeeld in drie functionele groepen: bodembewoners, strooiselbewoners en pendelaars. Strooiselbewoners leven dicht bij de oppervlakte en zetten plantenresten en mest om. Ze dragen weinig bij aan de bodemstructuur. Pendelaars graven blijvende verticale gangen in de bouwvoor en dragen daarmee bij aan goede waterinfiltratie en zuurstofvoorziening. Bodembewoners eten zich door de grond en dragen zo bij aan een goede bodemstructuur. Ze komen zelden aan de oppervlakte. Regenwormen hebben baat bij een voldoende vochtige grond en voldoende voedsel.

In dit filmpje is de rol van regenwormen en andere bodembeestjes te zien.

Aaltjes

Aaltjes (nematoden) kunnen worden ingedeeld aan de hand van de voornaamste voedselbron: plantenetende aaltjes, bacterie-eters, schimmeleters, roofaaltjes (die zich voeden met andere aaltjes en protozoën) en alleseters. Plantenetende aaltjes kunnen schade toebrengen aan gewassen. Daar kunnen maatregelen tegen genomen worden, bijvoorbeeld een voldoende ruime vruchtwisseling. Andere aaltjes dragen juist bij aan ziektewerendheid.

Schimmels

Schimmels vormen draden waarmee ze tussen bodemdeeltjes doorgroeien en dragen zo bij aan het aan elkaar kitten van bodemdeeltjes (aggregaatvorming). In tegenstelling tot bacteriën zijn schimmels in staat koolstofrijk organisch materiaal af te breken.

Mycorrhizaschimmels leven in symbiose met plantenwortels. De plant levert energie aan de schimmel, en in ruil daarvoor levert de schimmel voedingsstoffen en water aan de plant. Met behulp van mycorrhizaschimmels kunnen planten een veel groter bodemvolume gebruiken voor de opname van bijvoorbeeld fosfaat. Ook kunnen mycorrhiza’s bijdragen aan ziektewerendheid. Vooral op schrale gronden hebben planten en mycorrhiza’s baat bij samenwerking.

Bacteriën

Door hun grote aantallen vormen bacteriën in veel gronden de grootste biomassa aan bodemleven. Bacteriën voeden zich met makkelijk afbreekbare organische stof. Ze zijn vervolgens prooi voor verschillende jagers die hoger staan in het bodemvoedselweb. Hierbij worden nutriënten vastgelegd en vrijgemaakt.