Bij erosie vindt slijtage plaats van een vast oppervlak, waarbij materiaal wordt verplaatst of verdwijnt. In Nederland en Vlaanderen zijn vier soorten erosie relevant: bodemerosie, watererosie, ploegerosie en winderosie.

Bodemerosie wordt vooral veroorzaakt door wind en stromend water (en, in koude gebieden, door ijs). In Nederland komt erosie vooral voor op stuifgevoelige zandgronden in de Veenkoloniën en op hellingen in Zuid-Limburg. In Vlaanderen vindt veel erosie plaats. Door bodemerosie spoelt jaarlijks gemiddeld circa 5 miljoen ton vruchtbare Vlaamse landbouwgrond weg.

Bij watererosie worden bodemdeeltjes ten gevolge van regendruppels en stromend water losgemaakt en getransporteerd. Dit leidt tot een afname van de bodemkwaliteit en -productiviteit. Wanneer kale aarde op een heuvel ligt kan neerslag ertoe leiden dat de grond met het water langs het oppervlak naar beneden stroomt. Wanneer de grond beplant is, wordt deze door de begroeiing vastgehouden. Ook is de waterinfiltratie dan beter.

Ploegerosie ontstaat bij het ploegen op een helling. Tijdens het ploegen worden bodemdeeltjes opgetild en deze vallen daarna terug. Door de zwaartekracht komen deze deeltjes lager op de helling terecht. De erosie vindt hierbij vooral bovenaan de akker plaats. Op het lager gelegen deel vindt vooral sedimentatie plaats. Het belangrijkste gevolg is de afname van de bodemkwaliteit, vooral bovenaan de helling, en het ontstaan van een vruchtbaarheidsgradiënt in het perceel.

Bij winderosie worden bodemdeeltjes door de wind meegenomen. Als de toplaag van de bodem al is verdwenen wordt de bodem gevoeliger voor verstuiving. Dan wordt het landschap nog kwetsbaarder voor winderosie. In Nederland vindt winderosie vooral aan de kust plaats (vorming van duinen), maar ook in de Veenkoloniën en in zandverstuivingen.

Lees verder over maatregelen om erosie tegen te gaan.