Bij verslemping is er te weinig binding tussen bodemdeeltjes. Door de inslag van regendruppels treedt schifting op. Daarbij verstoppen de fijnere lutum- en siltdeeltjes de poriën in de bodem. Zo ontstaat een papperige slemplaag die na drogen een slempkorst vormt. Vooral lichte kleigronden en lössgronden zijn gevoelig voor slemp.
Verslemping belemmert de kieming van het zaad door luchtgebrek en een te grote weerstand tegen groei. Niet alle gewassen zijn sterk genoeg om door de verslempte laag heen te groeien. Ook na ontkieming kan luchtgebrek ontstaan. De grond kan lang nat blijven en moeilijk bewerkbaar zijn.
De gevoeligheid voor verslemping wordt vooral veroorzaakt door een laag organischestofgehalte. Bij voldoende organische stof in de bodem, komt verslemping minder snel voor. Ook het lutumgehalte is bepalend.  Problemen doen zich vooral voor op gronden met lutumpercentages tussen de 11 en 20%. Gronden met meer dan 20% lutum verslempen nauwelijks. Ook gronden met weinig lutum verslempen bijna niet.

Het op peil houden van het organischestofgehalte en het voorkomen van zwarte braak, bijvoorbeeld door het telen van groenbemesters, zijn de belangrijkste maatregelen om verslemping tegen te gaan.