Bodemmaatregelen voor gras- en bouwland

In het project Carbon Valley zijn Brabantse agrariërs van Het Groene Woud, de Duinboeren en Agro As de Peel aan de slag met organische stofmanagement. Hiervoor is een set van maatregelen opgesteld. In deze set is de aanpassing van het landgebruik op bedrijfsniveau de basis. Daarnaast worden maatregelen benoemd om op gras- en bouwland de afbraak te verminderen en aanvoer van organische stof te verhogen.

Door zonlicht, CO2 in de lucht en water en nutriënten uit de bodem wordt in gewassen als gras en mais organische stof gevormd via fotosynthese (“groei” = vastgelegde koolstof in nieuwe organische stof). Deze organische stof wordt geoogst / begraasd óf blijft achter als gewasrest (afgestorven blad, stoppel, wortels) op of in de bodem. De organische stof die door koeien wordt gegeten wordt voor ca. 75% als energie gebruikt waarbij CO2 wordt uitgeademd. Ca. 25% van de opgegeten organische stof komt in de mest terecht, en uiteindelijk op het land en in de bodem.

Samen met de gewasresten vormt mest de belangrijkste bron van verse organische stof voor de bodem. Hiervan wordt een gedeelte binnen één jaar afgebroken en een gedeelte, de effectieve organische stof, blijft langer in de bodem. Wat we de “korte koolstofcyclus” noemen omvat de door vee uitgeademde CO2 plus de organische stof in de bodem die binnen één jaar wordt afgebroken.  De organische stof die in de bodem langer dan één jaar behouden blijft maakt deel uit van de “lange koolstofcyclus”.

Het opbouwen van organische stof in de bodem gaat slechts zeer geleidelijk. Voor 1% OS-gehalte stijging in de laag 0-25 cm is minimaal 33 ton OS per hectare per jaar nodig. Tegenover de opbouw van organische stof op blijvend grasland staat afbraak wanneer het grasland wordt gescheurd ten behoeve van snijmaisteelt. Uitgaande van het huidige landgebruik in de melkveehouderij in combinatie met onderzoek naar bodemkwaliteit op zandgrond  en naar rode klaver in vruchtwisseling  kan een algemeen advies worden gegeven voor een optimaal landgebruik:

Binnen de derogatie, waarbij 80% grasland en 20% bouwland (mais) past, is een optimale inrichting 60 % blijvend grasland, 20% gras met rode en witte klaver in vruchtwisseling met bouwland en 20% bouwland in vruchtwisseling met gras met rode en witte klaver (3 om 3 jaar).

Meer informatie

Nick van Eekeren Louis Bolk Instituut