Vernatting veengebieden voor landbouw, klimaat en biodiversiteit

Het is goed mogelijk om de emissie van broeikasgassen uit veengronden te verminderen. Diverse maatregelen dragen hieraan bij. Deze maatregelen zijn aanzienlijk goedkoper dan diverse andere oplossingen zoals CO2 opslag in de bodem.

De Nederlandse overheid wil de uitstoot van broeikasgassen vanuit alle sectoren verminderen. Ook de landbouw zal een bijdrage moeten leveren. Veenoxidatie veroorzaakt broeikasgasemissies, door maatregelen is dit te verminderen. CLM heeft het effect van een pakket van maatregelen doorgerekend. Dit pakket omvatte ‘geen akkerbouw op veengronden’, ‘peilverhoging tot een drooglegging van 40-50 cm’ en ‘onderwaterdrainage; al dan niet peil-gestuurd’. Daarnaast zal het grondgebruik op een klein deel van de gronden veranderen. Deze gronden worden afgewaardeerd en gaan over van gangbaar grasland naar natte teelten en of natuur.

Met alle maatregelen gezamenlijk is op 260.000 ha veengronden in totaliteit een reductie van 2,0 Mton CO2eq mogelijk. Dat is bijna 4% van de totale Nederlandse reductie doelstelling van 56 Mton in 2030. De kosten van de maatregelen op de veengronden bedragen ruim 50 miljoen euro per jaar, ofwel €26,- per ton CO2eq.

Bovenop de maatregelen ten behoeve van de reductie van CO2-emissies, zijn maatregelen ten behoeve van weidevogels mogelijk. Die maatregelen (onder andere natuurlijk peil en gebruik van ruige mest) kosten ca. €350,- per ha. Uitgaande van een waarde van €40,- per ton CO2eq emissiereductie op enige termijn, is het mogelijk om op ca. 80.000 ha de maatregelen ten behoeve van weidevogels te nemen. De resultaten van deze studie worden meegenomen in de onderhandelingen over een Nationaal Klimaatakkoord.

Meer informatie

Frits van der Schans 0345 47 07 50

 

Bomen, Bodem en Melk

Kan een veehouder zijn bodem verbeteren door het aanplanten van een bos?  Dat is de vraag in de pilot die CLM samen een veehouder en Probos heeft opgezet. Waarom zou een veehouder een bos aanleggen? Het antwoord is simpel: houtsnippers zijn prima strooisel voor in de stal. En na gebruik kan het strooisel op het land worden gebracht als bron aan organische stof. Zou hou je de hele cyclus in eigen hand, en verbeter je de organische stofbalans van de bodem.

Elzen planten

Veehouder Henk Hoefnagel pacht 5 hectare bosgrond op zijn bedrijf de Henricushoeve. Probos en CLM helpen met de inrichting. “Ik ben boer, geen boswachter, dus voor het planten van een bos heb ik wat hulp nodig. “Probos heeft het beplantingsplan gemaakt, waarin zowel natuur als productiehout aandacht kregen. Er komen elzen, wilgen en populieren, bomen die goed en snel groeien op natte grond. De snippers dienen als stalstrooisel”.

Snippers in de stal

De bomen worden periodiek (elke 2 tot 8 jaar) terug gezet. Na het terug zetten vormen de bomen vanuit de stobbe weer nieuwe stammen. Dit is een moderne vorm van hakhout- of griendbeheer. Het hout dat uit het bos wordt geoogst gaat in de versnipperaar. De snippers worden gebruikt als stalstrooisel in de compoststal van de Henricus Hoeve. De compost uit de stal levert vervolgens extra organische stof aan de gras- en akkerlanden van het bedrijf. Hiermee wordt er extra koolstof  vastgelegd in de bodem. Op termijn levert het bovendien een gezondere bodem op.

Naar een klimaatneutraal bedrijf

CLM rekent de koolstofbalans uit van de veranderingen. Hoefnagel wil de Henricus Hoeve klimaatneutraal maken. Met de oogst van hout voer je weliswaar koolstof af, maar de stobben en wortels van de bomen leggen CO₂ vast. Ook zorgt een hoger organische stofgehalte in de bodem ook voor vastlegging van koolstof. De ontwikkelingen hiervan worden de komende jaren nauwkeurig gevolgd. Door de snippers lokaal in zijn eigen klimaatbos te telen wil Henk Hoefnagel zelfvoorzienend worden, zodat hij geen houtsnippers meer van derden hoeft aan te kopen. Dit scheelt bovendien transport van houtsnippers over lange afstanden.

Henk Hoefnagel ziet bomen op het bedrijf als een ontwikkeling die in de toekomst heel normaal zal zijn. “Bijna twintig jaar geleden legde ik de eerste zonnepanelen op mijn dak. Collega’s verklaarden me toen voor gek; dat kon nooit uit. Maar ik wilde een duurzaam bedrijf en dat blijkt toch een hele goede keuze te zijn geweest. En zo zullen over 10-15 jaar bomen op het bedrijf heel normaal zijn.”

Meer informatie

Erik van Well  – 0345 470 756

 

Samenwerking Veehouderij Akkerbouw

Samen met veehouders en akkerbouwers onderzoekt CLM of bodemgebruik duurzamer kan worden gemaakt door samen één bouwplan te maken. De extra ruimte die samenwerking oplevert voor herstel van intensieve bewerking zou kunnen leiden tot verbetering van bodemstructuur, bodemleven, en koolstofopslag.

In een eerste project in Brabant is gebleken dat samenwerking economische en sociale voordelen opleveren, maar dat eventuele effecten op koolstofopslag alleen op zeer lange termijn meetbaar zijn. In een project in Flevoland kijkt CLM met partners Countus en Aeres Hogeschool naar de effecten van samenwerking op bodemstructuur en bodemleven.  Om al op korte termijn een beeld te krijgen worden grasland en bouwland vergeleken met percelen met wisselend gebruik. Deze kunnen dan worden gebruikt om samenwerkingsvormen waar nodig aan te passen om te komen tot een optimaal resultaat van voor de bodem.

De resultaten van dit project worden aan het eind van de zomer verwacht.

Meer informatie

Joost Keuskamp –  0345 47 07 50

 

Betekenis en waarde van micronutriënten – veldbijeenkomst 5 juli 2018

Boeren hechten veel waarde aan goede bodemvruchtbaarheid, dit vormt immers de basis voor goede groei en een gezond gewas. Door bemesting worden zowel de bodem als de plant gevoed. Naast zogenaamde hoofdelementen (macronutriënten), spelen ook micronutriënten een rol bij groei en ontwikkeling. Hoe werkt dat en wat mag je verwachten van gesteente melen en zouten?

Een bodemanalyse geeft inzicht in de aanwezige en plant beschikbare nutriënten. Op basis van de bodem karakteristiek geeft Eurofins de streefwaarden aan. Tekorten kunnen via de bodem of de plant (bladbemesting) worden aangevuld. Gesteente melen werken via de bodem. De effecten van gesteentemeel of kleimineralen op bodem en plant heeft meerdere aspecten waaronder een bodem fysische. Het toevoegen van (fijn) gesteentemeel op zandgrond geeft vergroting van absorptie capaciteit (CEC). Van nature heeft kleigrond een hogere CEC, terwijl bij zandgrond de CEC met name is gerelateerd aan het gehalte organische stof (humus) in de bouwvoor. Om een schrale zandgrond vruchtbaar te krijgen, is organische mest nodig waardoor het humusgehalte in de bodem (langzaam) toeneemt. Dit vraagt vaak grote hoeveelheden en een lange adem om effecten te resulteren. Het zogenaamde fosfaatplafond vormt al snel een beperking voor aanvoer van organische meststoffen.

Op landbouwbedrijf Veld & Beek zijn varianten aangelegd in aardappels met gesteente melen en Keltisch zeezout. De veldbijeenkomst biedt gelegenheid om de effecten te aanschouwen. Na een inleiding over betekenis & waarde van micronutriënten kijken we in het veld naar effecten van aangebrachte gesteente melen en Keltisch zeezout.

Datum: 5 juli 2018
Tijd: 15.00 uur – 17.30
Plaats: Veld & Beek Fonteinallee 33 Heelsum
(Navigatie instellen op Broekhorst, 6866 NN Heelsum
Aanmelden en meer informatie

Leen Janmaat 06-44197920

 

Digitaal magazine “Grond”

Agrimedia en Naturim hebben samen leven geblazen in het magazine “Grond”. In dit digitale vakblad staat het thema Conserverende Bodembewerking (NKG) centraal.

“Grond” zal 4 keer per jaar verschijnen en bevat bedrijfsrapportages, interessante artikelen uit het buitenland en verdiepende informatie mbt onderzoek, mechanisatie en groenbemesters. Bekijk het eerste nummer

Het magazine is onderdeel van het project “Betere Bodem”. Naast het magazine worden er ook studiedagen, demonstraties en cursussen rondom het thema Conserverende Bodembewerking georganiseerd. Het project wordt ondersteund door de provincie Flevoland.

Meer informatie

Sander Bernaerts (Naturim) of Frank de Vries (AgriMedia).

 

Bodemanalyses

Er zijn meerdere bodemlabs die hun diensten aanbieden. De analysemethoden en beoordelingen hiervan verschillen. Hoe betrouwbaar zijn de metingen en hoe vertaalt zich dit in bemestingsadviezen. Volg niet alleen de adviezen, maar volg vooral het gezonde boeren verstand.

Bodemlabs beloven betrouwbaarheid op basis van nauwkeurige werkwijze en accreditaties. Toch komen we regelmatig afwijkende uitslagen tegen. Een reden om kritisch te blijven kijken naar de uitslagen van bodemanalyses.

DE KINSEY-ALBRECHT BODEMANALYSE
Deze analyse gaat over de verhouding in de verzadigingsverschillen van positieve ionen (kationen) in de bodem (in het Engels: Basecation saturation ratio, BCSR). Het principe van de kationenomwisseling werd aan het eind van de 19e eeuw ontdekt. Overbemesting met calcium of magnesium bleek giftig voor planten, doordat die kationen de plaats gingen innemen van andere kationen. Daaruit ontwikkelden de deskundigen een theorie over de “ideale kationen-verzadiging van de bodem”. De grondlegger was W.Albrecht (1888–1974). N. Kinsey schreef er samen met C. Walters een invloedrijk boek over, getiteld “Hands on Agronomy” (1991) en baat zijn kennis uit met een eigen laboratorium service. Na uitgebreide bestudering van alle onderzoek publicaties concludeerde M. Schonbeck (2001) o.a. dat een goede kationen balans in de bodem vooral plaats specifiek moet worden bekeken.

Bij de Kinsey-Albrecht-methode wordt onderscheid gemaakt tussen direct oplosbare voedingsstoffen en aan humus en klei geadsorbeerde voedingsstoffen. Als ideaal wordt gezien dat het adsorptiecomplex voor 68% bezet is met calcium, 12% met magnesium en 2-5% met kalium. De methode wordt ook wel gebruikt om de bodemstructuur te sturen, hoewel Albrecht dit zelf niet heeft gedaan. Albrecht benadert de bodem als een chemisch reactievat en had weinig oog voor bodemleven en bodemstructuur. Dit beperkt de waarde van deze methode.

Bodemanalyse vraagt om een regio specifieke interpretatie. Eenzelfde beoordeling voor alle gronden is niet reëel. Soms leidt de beoordeling vanuit een analyses tot extreme giften aan voedingsstoffen die in de praktijk niet wenselijk zijn.

Meer informatie

j.bokhorst@gaiabodem.nl

 

 

Bodemmaatregelen voor gras- en bouwland

In het project Carbon Valley zijn Brabantse agrariërs van Het Groene Woud, de Duinboeren en Agro As de Peel aan de slag met organische stofmanagement. Hiervoor is een set van maatregelen opgesteld. In deze set is de aanpassing van het landgebruik op bedrijfsniveau de basis. Daarnaast worden maatregelen benoemd om op gras- en bouwland de afbraak te verminderen en aanvoer van organische stof te verhogen.

Door zonlicht, CO2 in de lucht en water en nutriënten uit de bodem wordt in gewassen als gras en mais organische stof gevormd via fotosynthese (“groei” = vastgelegde koolstof in nieuwe organische stof). Deze organische stof wordt geoogst / begraasd óf blijft achter als gewasrest (afgestorven blad, stoppel, wortels) op of in de bodem. De organische stof die door koeien wordt gegeten wordt voor ca. 75% als energie gebruikt waarbij CO2 wordt uitgeademd. Ca. 25% van de opgegeten organische stof komt in de mest terecht, en uiteindelijk op het land en in de bodem.

Samen met de gewasresten vormt mest de belangrijkste bron van verse organische stof voor de bodem. Hiervan wordt een gedeelte binnen één jaar afgebroken en een gedeelte, de effectieve organische stof, blijft langer in de bodem. Wat we de “korte koolstofcyclus” noemen omvat de door vee uitgeademde CO2 plus de organische stof in de bodem die binnen één jaar wordt afgebroken.  De organische stof die in de bodem langer dan één jaar behouden blijft maakt deel uit van de “lange koolstofcyclus”.

Het opbouwen van organische stof in de bodem gaat slechts zeer geleidelijk. Voor 1% OS-gehalte stijging in de laag 0-25 cm is minimaal 33 ton OS per hectare per jaar nodig. Tegenover de opbouw van organische stof op blijvend grasland staat afbraak wanneer het grasland wordt gescheurd ten behoeve van snijmaisteelt. Uitgaande van het huidige landgebruik in de melkveehouderij in combinatie met onderzoek naar bodemkwaliteit op zandgrond  en naar rode klaver in vruchtwisseling  kan een algemeen advies worden gegeven voor een optimaal landgebruik:

Binnen de derogatie, waarbij 80% grasland en 20% bouwland (mais) past, is een optimale inrichting 60 % blijvend grasland, 20% gras met rode en witte klaver in vruchtwisseling met bouwland en 20% bouwland in vruchtwisseling met gras met rode en witte klaver (3 om 3 jaar).

Meer informatie

Nick van Eekeren Louis Bolk Instituut

 

 

Gebruik lokale nutriëntenstromen in de Kromme Rijn

Twee fruittelers en twee melkveehouders in de Kromme Rijnstreek gaan, onder begeleiding van CLM, samenwerken aan een nutriënten-kringloop. Het doel is het gebruik van grondstoffen te verminderen en de kringloop lokaal te sluiten.

Het gebruik van organisch materiaal (bijv. champost, compost, dierlijke mest) in de fruitteelt is de afgelopen decennia verwaarloosd. De gemakken en precisie van kunstmeststoffen heeft er onbedoeld toe geleid dat het organische stofgehalte (OS-gehalte) in de bodem ernstig is teruggelopen. De ervaringen met het toedienen van de vaste fractie van rundveedrijfmest zijn goed. De nutriënten komen geleidelijk vrij, de toediening is relatief eenvoudig, het OS-gehalte neemt er door toe, bomen worden enigszins beschermd tegen bevriezing.

In de Kromme Rijnstreek werken fruittelers en rundveehouders dicht bij elkaar. Daardoor kan er een directe lijn tussen veehouders en fruittelers worden gevormd. De mest kan snel na scheiden van de veehouderij naar het fruitteeltbedrijf worden getransporteerd. De logistieke voordelen kunnen daarom de kostprijs drukken. In tweede instantie worden ook andere regionale partijen die nutriënten kunnen leveren, zoals varkenshouders, waterschap, drinkwaterbedrijf en gemeenten, bij het initiatief betrokken.

Vragen? Neem contact op met Wim Dijkman, CLM (wdijkman@clm.nl | T 0345 470 740)

Flevolandse loonwerkers willen meer zicht op bodemstructuur

In de provincie Flevoland beoordelen boeren samen met hun buurman en een bodemdeskundige de bodemkwaliteit van hun eigen grond. Dit doen ze door profielkuilen te graven en te beoordelen. Binnen dit project ‘Zicht op de Bodemstructuur’ loopt nu een pilot gericht op loonwerkers en akkerbouwers.

Loonwerkers, in samenspraak met de agrariërs, hebben een belangrijke rol in het goed omgaan met de Flevolandse bodem. In de pilot is aandacht voor ondergrondverdichting en bodemstructuur. Doel is om loonwerkers en hun klanten te voorzien van kennis en met elkaar de dialoog aan te gaan over het spanningsveld tussen goede bodemstructuur en inzet van machines. De pilot is tot stand gekomen in samenwerking met het Flevolands Agrarisch Collectief (FAC) en CLM. Meer informatie is te vinden op: www.bodemenwaterflevoland.nl.

De pilot sluit goed aan bij de landelijke lijn waarin CUMELA Nederland bewustwording en kennis over bodem als één van de belangrijke thema’s voor de komende jaren ziet. De bodem is namelijk de basis onder veel bedrijfsactiviteiten van loonwerk- ofwel cumelabedrijven. Als sector voelen ze zich verantwoordelijk voor het goed achterlaten van de bodem, zodat ook volgende generaties van de bodem kunnen genieten. De branchevereniging investeert daarom in kennis en kunde bij haar leden, zodat zij zich blijven ontwikkelen als bodemspecialisten.

Vragen? Neem contact op met Gijs Kuneman, CLM (gkuneman@clm.nl | T 0345 470 726)

De impact van Veldleeuwerik: 15 jaar verder

Stichting Veldleeuwerik bestaat 15 jaar. In die tijd is Veldleeuwerik gegroeid naar ruim 400 akkerbouwers en 50 bedrijven in heel Nederland. Samen werken ze in een versneld tempo aan duurzaamheid op ecologisch, sociaal en economisch gebied. Wat heeft dit opgeleverd? CLM onderzocht de impact van 15 jaar veldleeuwerik.

Veldleeuweriktelers werken als katalysator voor het toepassen van duurzame technieken. Door o.a. kennisdeling en voorbeeldwerking voeren ze sneller en makkelijker veranderingen door op eigen bedrijf. Dit zorgt ervoor dat Veldleeuweriktelers gemiddeld 80 duurzaamheidsmaatregelen nemen: gemiddeld 15 meer dan gangbare collega’s.

Veel van de maatregelen genomen door veldleeuweriktelers zijn gericht op bodemvruchtbaarheid. Zo kiezen ze ervoor om de vruchtwisseling niet te intensiveren en werken ze met groenbemesters en voorjaarsbemesting. Naast vele andere maatregelen in de gewasbescherming gebruikt 60% van de telers mechanische onkruidbestrijding, tegenover 25% op landelijk niveau.

Vragen? Neem contact op met CLM, Gijs Kuneman (gkuneman@clm.nl | T 0345 470 726)