7_WS_Nutrientenkringloop Kromme Rijnstreek

Gebruik lokale nutriëntenstromen in de Kromme Rijn

Twee fruittelers en twee melkveehouders in de Kromme Rijnstreek gaan, onder begeleiding van CLM, samenwerken aan een nutriënten-kringloop. Het doel is het gebruik van grondstoffen te verminderen en de kringloop lokaal te sluiten.

Het gebruik van organisch materiaal (bijv. champost, compost, dierlijke mest) in de fruitteelt is de afgelopen decennia verwaarloosd. De gemakken en precisie van kunstmeststoffen heeft er onbedoeld toe geleid dat het organische stofgehalte (OS-gehalte) in de bodem ernstig is teruggelopen. De ervaringen met het toedienen van de vaste fractie van rundveedrijfmest zijn goed. De nutriënten komen geleidelijk vrij, de toediening is relatief eenvoudig, het OS-gehalte neemt er door toe, bomen worden enigszins beschermd tegen bevriezing.

In de Kromme Rijnstreek werken fruittelers en rundveehouders dicht bij elkaar. Daardoor kan er een directe lijn tussen veehouders en fruittelers worden gevormd. De mest kan snel na scheiden van de veehouderij naar het fruitteeltbedrijf worden getransporteerd. De logistieke voordelen kunnen daarom de kostprijs drukken. In tweede instantie worden ook andere regionale partijen die nutriënten kunnen leveren, zoals varkenshouders, waterschap, drinkwaterbedrijf en gemeenten, bij het initiatief betrokken.

Vragen? Neem contact op met Wim Dijkman, CLM (wdijkman@clm.nl | T 0345 470 740)

6_WS_Flevolandse loonwerkers

Flevolandse loonwerkers willen meer zicht op bodemstructuur

In de provincie Flevoland beoordelen boeren samen met hun buurman en een bodemdeskundige de bodemkwaliteit van hun eigen grond. Dit doen ze door profielkuilen te graven en te beoordelen. Binnen dit project ‘Zicht op de Bodemstructuur’ loopt nu een pilot gericht op loonwerkers en akkerbouwers.

Loonwerkers, in samenspraak met de agrariërs, hebben een belangrijke rol in het goed omgaan met de Flevolandse bodem. In de pilot is aandacht voor ondergrondverdichting en bodemstructuur. Doel is om loonwerkers en hun klanten te voorzien van kennis en met elkaar de dialoog aan te gaan over het spanningsveld tussen goede bodemstructuur en inzet van machines. De pilot is tot stand gekomen in samenwerking met het Flevolands Agrarisch Collectief (FAC) en CLM. Meer informatie is te vinden op: www.bodemenwaterflevoland.nl.

De pilot sluit goed aan bij de landelijke lijn waarin CUMELA Nederland bewustwording en kennis over bodem als één van de belangrijke thema’s voor de komende jaren ziet. De bodem is namelijk de basis onder veel bedrijfsactiviteiten van loonwerk- ofwel cumelabedrijven. Als sector voelen ze zich verantwoordelijk voor het goed achterlaten van de bodem, zodat ook volgende generaties van de bodem kunnen genieten. De branchevereniging investeert daarom in kennis en kunde bij haar leden, zodat zij zich blijven ontwikkelen als bodemspecialisten.

Vragen? Neem contact op met Gijs Kuneman, CLM (gkuneman@clm.nl | T 0345 470 726)

5_WS_De impact van veldleeuwerik

De impact van Veldleeuwerik: 15 jaar verder

Stichting Veldleeuwerik bestaat 15 jaar. In die tijd is Veldleeuwerik gegroeid naar ruim 400 akkerbouwers en 50 bedrijven in heel Nederland. Samen werken ze in een versneld tempo aan duurzaamheid op ecologisch, sociaal en economisch gebied. Wat heeft dit opgeleverd? CLM onderzocht de impact van 15 jaar veldleeuwerik.

Veldleeuweriktelers werken als katalysator voor het toepassen van duurzame technieken. Door o.a. kennisdeling en voorbeeldwerking voeren ze sneller en makkelijker veranderingen door op eigen bedrijf. Dit zorgt ervoor dat Veldleeuweriktelers gemiddeld 80 duurzaamheidsmaatregelen nemen: gemiddeld 15 meer dan gangbare collega’s.

Veel van de maatregelen genomen door veldleeuweriktelers zijn gericht op bodemvruchtbaarheid. Zo kiezen ze ervoor om de vruchtwisseling niet te intensiveren en werken ze met groenbemesters en voorjaarsbemesting. Naast vele andere maatregelen in de gewasbescherming gebruikt 60% van de telers mechanische onkruidbestrijding, tegenover 25% op landelijk niveau.

Vragen? Neem contact op met CLM, Gijs Kuneman (gkuneman@clm.nl | T 0345 470 726)

4_WS_Inzicht in indicatoren voor biodiversiteit

Inzicht door indicatoren voor biodiversiteit

Recentelijk is er veel aandacht voor de dramatische achteruitgang van insecten. Zo is sinds 1989 in Noordwest-Europa een afname aan vliegende insecten gemeten van ruim 75% en een afname in soorten van 25%. De oorzaak ligt niet vast, maar er ligt een vermoeden dat het gebruik van pesticiden hieraan ten grondslag ligt. Aangezien insecten een belangrijke voedselbron zijn voor vogels, heeft deze achteruitgang ook effect op de vogelstand.

In het rapport ‘Biodiverse akkerbouw – Verkenning van indicatoren voor agrobiodiversiteit in de akkerbouw’  zijn  indicatoren voor agrobiodiversiteit in de akkerbouw nader beschreven. Daarbij is aangesloten op het Conceptueel Kader voor Biodiversiteit van het Louis Bolk Instituut dat een basis legt voor de beschrijvende biodiversiteit op de verschillende niveaus van een landbouwbedrijf. De verkenning geeft een aanzet voor het eenduidig meten van biodiversiteitsprestaties gebaseerd op Kritische Prestatie Indicatoren (KPI’s). Uit de KPI’s valt af te lezen zijn of een bedrijf op koers ligt ten aanzien van doelstellingen op het gebied van biodiversiteit (stuurinstrument) en anderzijds vormt het  de basis voor het belonen van te behalen biodiversiteitswinst.

Een goed bodembeheer is een belangrijk uitgangspunt voor het bereiken van een biodiverse akkerbouw. Zo worden voorstellen gedaan rond het aandeel rustgewassen in een rotatie, organische stofbalans, het percentage bodembedekking van het land gedurende het jaar, de bodemconditie, inzet gewasbeschermingsmiddelen en stikstofbedrijfsoverschot. De toegevoegde waarde van de bodemconditie komt voort uit de inzet als stuurvariabele: er kan een koppeling met bedrijfsmaatregelen rond grondbewerking, waterhuishouding en teelt van gewassen worden gemaakt. Indirect worden hiermee bodembeherende maatregelen specifiek afgestemd op de bodemcondities.

Lees het volledige rapport

Vragen? Neem contact op met Chris Koopmans, Louis Bolk Instituut  (c.koopmans@louisbolk.nl)

3_WS_Kennis delen rondom NKG

Kennis delen rondom Niet Kerende Grondbewerking

Akkerbouwers wisselen kennis uit in de studiegroepen Niet Kerende Grondbewerking en verdiepen zich in het systeem van conserverende bodembewerking. De groepen bevinden zich in Noord-Holland, Flevoland/Haarlemmermeer en het zuidwesten. Inmiddels zijn er ook leden van buiten deze regio’s.

In november en december 2017 zijn er drie bijeenkomsten geweest van de studiegroepen Niet Kerende Grondbewerking. Deze hebben plaatsgevonden in Kerkwerve (14 nov), Nieuw Vennep (29 nov) en Wieringerwerf (4 dec). In bijeenkomsten stond de NKG-praktijk centraal. Er werd ook een groenbemesterdemo bekeken met – speciaal voor NKG – bedachte brede mengsels. Ook was er verdieping: in Striptill en NKG in relatie tot klimaat en organische stof en een bijeenkomst stond geheel in het teken van analyseresultaten van Albrecht en Kinsey.

Vragen? Neem contact op met Sander Bernaerts, Naturim  (sander@naturim.nl | T 06 81086041)

2_WS_Meer dan 150 profielkuilen FAC

Meer dan 150 profielkuilen levert interessante informatie en discussie op

Achtenveertig akkerbouwers, veehouders en loonwerkers in Flevoland hebben vanaf juni 2017 deelgenomen aan de eerste fase (fase A) van het project Zicht op de Bodemstructuur. Gezamenlijk hebben de deelnemers en de bodemspecialisten in de maanden juni en juli ongeveer 150 profielkuilen gemaakt en beoordeeld.

Dit levert interessante informatie en discussies bij de profielkuilen op. Enkele inzichten uit de profielkuilen waren:

  • De gewassen stonden er dit jaar veelal mooi op. Vooral de uien, ook als ze niet beregend waren. De waterhuishouding op deze percelen is dus goed op orde.
  • Op zware grond kwamen veel vertakte bieten (vertakking op ca. 12-15 cm) voor. Waarschijnlijk wordt dit niet direct veroorzaakt door de droogte, maar met name door ondergeploegde, scherpe kluiten die slecht verweerd zijn en op die diepte terecht komen bij het ploegen. De slechtere verwering komt door een combinatie van een milde winter, droogte en soms verdichte lagen. Het organisch materiaal ligt door het ploegen met voorschaar regelmatig op ca. 25 cm ‘netjes’ ingekuild.
  • In de profielkuilen werd weinig blauwe grond gezien. Vorig jaar kon droog gerooid en geploegd worden en het voorjaar was ook droog, dus blauwe grond was ook weinig te verwachten. Daar waar wel blauwe grond werd gevonden, was dit vaak in combinatie met een slechtere verdeling van organische materiaal door de bouwvoor.

Begin juni zijn ook twaalf deelnemers gestart aan de tweede fase van het project. Opvallend is dat de deelnemers bijna allemaal ‘iets’ gedaan hebben n.a.v. fase A. We zien dat de deelnemers meer aandacht geven aan een betere verdeling van organische reststoffen en daarmee meteen effect hebben.

Zicht op de Bodemstructuur is een project van het Actieplan Bodem & Water Flevoland en wordt samen met diverse bodemexperts door het Flevolands Agrarische Collectief uitgevoerd.

Vragen? Neem contact op met Albert Jan Olijve (projecten@flevolandsagrarischcollectief.nl)

1_WS_Bodemverdichting in noord NL

Bodemverdichting in Noord-Nederland

In opdracht van de drie noordelijke provincies Drenthe, Groningen en Friesland, zijn samen met studenten van Hogeschool van Hall Larenstein en de WUR ruim 100 agrarische bedrijven bezocht om daar te meten aan bodemverdichting. De bedrijven kunnen worden onderverdeeld in akkerbouw op zavel, akkerbouw op zandgrond , akkerbouw op dalgrond en veeteelt op zandgrond.

Op de bedrijven zijn twee percelen  bezocht om te meten aan de dichtheid van de bodem. Door middel van het nemen van ringmonsters is de droge bulkdichtheid van de ploegzool en de ondergrond bepaald. De droge bulkdichtheid is het gewicht van een volume grond. Een verdichte laag heeft een hogere bulkdichtheid. De gemeten waarden in dit onderzoek zijn vergeleken met bulkdichtheden uit recente literatuur.

Uit het onderzoek blijkt dat ongeveer 80% van de onderzochte percelen een vorm van bodemverdichting hebben. De zavelgronden lijken gevoeliger voor verdichting dan de andere categorieën.  Er is geprobeerd om een verband te zoeken tussen het (bodem)management van de perceelgebruiker en de gemeten verdichting. Verwachte verbanden, zoals ploegen zorgt voor verdichte ploegzool, konden niet worden bevestigd. Hoewel de exacte oorzaken en verbanden niet zijn gevonden, blijft het alarmerend hoeveel landbouwgrond te maken heeft met verdichting.

Vragen? Neem contact op met Everhard van Essen, Aequator Groen & Ruimte  (evanessen@aequator.nl| T 06 265 18 630)  of Wiebe Harder (wharder@aequator.nl)

foto 1 brabant bewust

Brabant BEWUST: een goede bodem tegen afspoeling nutriënten

De afgelopen jaren zijn de bemestingsnormen gedaald tot onder de adviesbemesting. Tegelijkertijd blijkt deze daling nog steeds niet voldoende om aan alle waterkwaliteitsnormen te voldoen. Dit vormt de startpunt voor het meerjarige programma Brabant BEWUST dat in januari 2017 van start is gegaan. Het project is bedoeld om de uit- en afspoeling van nutriënten naar het grond- en oppervlaktewater tegen te gaan en is een initiatief van ZLTO, Cumela, provincie Noord-Brabant en de Brabantse waterschappen. De uitvoering is in handen van ZLTO, CLM, Delphy en DLV Advies.

Veehouders, akkerbouwers, vollegrondsgroentetelers en loonbedrijven gaan binnen het project werken aan bodem, bodemvruchtbaarheid, bemesting en mineralenbenutting. In Noord-Brabant worden 24 ondernemersgroepen opgestart. Zij gaan aan de slag met een goed gevulde ‘gereedschapskist’ met haalbare en effectieve maatregelen, zoals precisiebemesting, bodemanalyses (‘meten is weten’), verhoging van het organischestofgehalte in de bodem en inzicht in de mineralenstromen op het bedrijf (m.b.v. de Kringloopwijzer).

Voor meer informatie: neem contact op met Carin Rougoor, CLM (crougoor@clm.nl | T 0345-470769)

foto 6 compost extract

Compostextract beïnvloedt stikstofopname uit veenweidebodem

In het kader van het project ‘Proeftuin Veenweiden’ deed het Louis Bolk Instituut in samenwerking met Soiltech een pilot studie naar het effect van het compostextract Fytaforce op de stikstofopname van gras uit de veenweidebodem. De proef liet zien dat Fytaforce mogelijk een invloed heeft op de stikstofopbrengst van gras door het seizoen heen. Vervolgonderzoek is opgestart.

Op veenweidebodems speelt het specifieke probleem dat het eiwitgehalte van het gras door het seizoen heen varieert, en in het najaar sterk oploopt. Dit maakt sturen van het eiwitgehalte in rantsoenen van melkkoeien lastiger wat kan leiden tot extra ammoniakemissie.

Fytaforce, een opgewerkt compost extract, bevat veel soorten micro-organismen. Hypothese is dat het bijdraagt aan de opbouw van de bodembiologie, en daarmee een invloed heeft op de plantbeschikbare stikstof.

In de proef werd cumulatief over 4 snedes een trend gezien naar een hogere droge stof opbrengst (13% toename) en een numeriek hogere stikstofopbrengst (23% toename) waargenomen, ten opzichte van onbehandelde veengras kolommen. De gebruikte veenkolommen zijn niet bemest geweest vooraf en tijdens de proef. Meer resultaten zijn te lezen in het V-focus artikel Fytaforce en N-opname gras op veenbodem.

 

Proeftuin Veenweiden is een initiatief van LTO Noord en VIC Zegveld. De uitvoering is in handen van LTO Noord, Wageningen University & Research, VIC Zegveld, PPP-Agro Advies en het Louis Bolk Instituut. Het programma wordt gefinancierd door de provincie Zuid-Holland en het ministerie van Economische Zaken. De provincies Utrecht en Noord-Holland doen mee op specifieke onderdelen.

Neem voor meer informatie contact op met Jeroen Pijlman (j.pijlman@louisbolk.nl)

foto 2 circulaire landbouw

De bodem als motor voor circulaire landbouw

In 2017 is het Programma Circulaire Landbouw van start gegaan in de twee gemeenten Sint Tunnis en Boxmeer. Met dit programma willen de initiatiefnemers, de beide ZLTO-afdelingen, een beweging organiseren onder alle boeren om met duurzaam bodembeheer aan de slag te gaan. In het besef dat de huidige bouwplannen veel vragen van deze jonge en kwetsbare bodems, is het extra belangrijk om meer te investeren in de buffercapaciteit van de bodem. Als iedereen meedoet verbetert niet alleen het opbrengend vermogen van de grond, maar ook de omgevingskwaliteit, zoals de kwaliteit van grond en oppervlaktewater.

Wat we gaan doen is in samenwerking met andere projecten verschillende bodembeheermaatregelen introduceren en technisch begeleiden bij agrariërs. We inventariseren alle biomassastromen in de beide gemeenten buiten de landbouw en experimenteren met manieren om die via bewerking – mogelijk met mest – te incorporeren in de bodem. En wij dagen grondeigenaren uit om duurzaam bodembeheer te waarderen bij de uitgifte van grond. In dit gebied wordt ca. 40% van de grond in gebruik gegeven door de eigenaar aan (collega) agrariërs.

Het programma wordt mogelijk gemaakt door de provincie Noord Brabant en Waterschap Aa en Maas.

Vragen? Neem comtact op met Jos Verstraten, ZLTO (jos.verstraten@zlto.nl | T 06 2251 8660), Marcel Derks (mptmderks@hetnet.nl | 06 2506 1795) of Wim Dijkman, CLM (wdijkman@clm.nl | T 06 5569 6320).