Een doordacht bouwplan, maatwerk in gewaskeuze en het gebruik maken van functionele agrobiodiversiteit zijn bodem-gerelateerd maatregelen die kunnen helpen tegen ziekten en plagen.

Doordacht bouwplan

In een doordacht bouwplan worden intensieve teelten afgewisseld met minder intensieve teelten zoals groenbemesters, granen en grassen. Deze teelten hebben minder werkgangen nodig, doorwortelen de bodem intensief en laten relatief veel organische stof achter.

Gewassen kunnen elkaar aanvullen. Een vlinderbloemige laat bijvoorbeeld veel stikstof in de bodem achter, waardoor het erg geschikt is als voorvrucht voor een stikstofbehoeftig gewas. Diepwortelende gewassen verbeteren de bodemstructuur en gewassen die snel de grond bedekken houden onkruid tegen.

Daarnaast geeft veel afwisseling in gewassen ziekten en plagen minder tijd om zich tot een groot probleem te ontwikkelen: een voldoende ruim bouwplan zorgt ervoor dat bodemgebonden ziekten minder kans krijgen. Een vuistregel is eenzelfde gewas niet vaker dan eens in de drie jaar op hetzelfde perceel te telen, en een gewas uit dezelfde familie niet vaker dan eens in de zes jaar.

Maatwerk in gewaskeuze

Ieder gewas trekt een bepaald type bodemleven aan, die de opbrengst of het volggewas kan schaden. Aardappels die te vaak achter elkaar geteeld worden krijgen last van aaltjes, erwten na tuinboon kunnen last hebben van Fusarium en bieten na gras lijden onder emelten. Om aaltjes en andere bodemgebonden ziekten tegen te gaan kan het beste naar een uitgebalanceerde set gewassen wordt gezocht, die bij de besmettingssituatie past.

De gewasvolgorde geeft dan de mogelijkheid aaltjespopulaties zo te laten fluctueren dat hoge dichtheden van een schadelijke soort alleen voorkomen in jaren dat gewassen worden geteeld die geen of weinig schade lijden van zo’n populatie. Voor aaltjes met veel waardplanten, zoals Meloidogyne chitwoodi of Paratrichodorus teres, helpt verruiming van het bouwplan niet altijd. Dit aaltjesschema kan een hulpmiddel zijn bij het ontwerpen van een bouwplan met minimale schade door aaltjes.

Ook kunnen resistente rassen gekozen worden, die minder last hebben van een bepaalde ziekte. Een kleine verandering in de ziekte kan er echter voor zorgen dat het gewas alsnog besmet raakt, en achterblijft in de opbrengst.

Functionele agrobiodiversiteit

Hoe natuurlijker de plaag- of ziektebestrijding verloopt, hoe minder (chemische) ingrepen noodzakelijk zijn. In de geïntegreerde gewasbescherming wordt daarom ook rekening gehouden met bovengrondse biodiversiteit. Stimulering hiervan kan door het aanleggen van bloemrijke stroken of een gevarieerde beplanting in de omgeving. Natuurlijke bestrijders van ziekten en plagen in het gewas kunnen zich hierin voortplanten, voeden en verschuilen. Natuurlijke vijanden als gaasvliegen eten bijvoorbeeld luizen in het gewas op, waardoor minder insecticiden nodig zijn. Doordat de bodem van deze stroken relatief weinig verstoord wordt, kan ook het bodemleven zich volop ontwikkelen en voor een weerbare bodem zorgen.

In de brochure De waarde van agrobiodiversiteit: Vijf maatregelen voor een beter gebruik staan suggesties voor het benutten van de functies van agrobiodiversiteit.

De brochure Compost composities: Bodem, bemesting en ziektewering gaat in op de vraag hoe biologische glastuinders compost kunnen inzetten in ziekte- en plaagbeheersing.

De tipkaarten groenbemester in bloei laten komen & meerjarige kruidenrand zijn hier te bekijken.